Gebouwen

Stadspaleis

Late middeleeuwen
In de late middeleeuwen concentreerde de bloeiende lakennijverheid zich op en rond de huidige locatie van het Noordbrabants Museum. Hier verdienden Bossche ambachtslieden de kost met het verven van de zware wollen stoffen. Aan de broodwinning van deze ververs dankt de Verwersstraat, waaraan het museum ligt, haar naam.
 
Jezuiëtenklooster
In 1609 vestigden zich jezuïeten in 's-Hertogenbosch. Zij kochten een fors aantal percelen in en rond de Verwersstraat. Zo ontstond een groot jezuïetencollege inclusief klaslokalen, tuinen en kerk voor de honderden studenten. Met de inname van 's-Hertogenbosch in 1629 bezegelde Frederik Hendrik het einde van dit college. De Staten-Generaal legde beslag op het complex en riep het uit tot residentie van de militaire gouverneur van de stad.
 
Jacobus Vrijmoet, Commandeur Douglas en gouverneur Van Brunswijk-Wolfenbüttel buiten de vesting ’s-HertogenboschStadspaleisje
De hertog van Brunswijk Wolfenbüttel, ook wel de dikke hertog genoemd, was de eerste gouverneur en dus de eerste bewoner van het Gouvernement.

Hospitaal
In 1794 namen de Franse revolutionaire legers de stad in. Zij bezetten het Gouvernement en richtten het in als ziekenhuis voor gewonde en bedlegerige soldaten. Twee jaar lang droeg het gebouw de naam 'Hospitaal der Nationale Overwinningen'.
 
Gewestelijk Bestuur
In 1796 verloor het pand definitief zijn militaire functie. Het voormalige Gouvernement werd ingericht met kantoren voor het gewestelijk bestuur van wat indertijd Bataafs Braband heette.
 
Het Gouvernement omstreeks 1850Onder en na Napoleon
In 1810 voegde Napoleon ons land bij zijn Franse keizerrijk. ’s-Hertogenbosch riep hij uit tot hoofdstad van het Département des Bouches du Rhin. Het voormalige Gouvernement werd omgedoopt tot Hôtel de la Prefecture en ging onderdak bieden aan de Franse prefect en zijn administratie. In 1813 bliezen de Fransen de aftocht. Een jaar later nam de gouverneur van Noord-Brabant, na zijn benoeming door de nieuwe koning Willem I, zijn intrek in het gebouw.
 
Het voorplein van het Gouvernement in 1903
Uitbreiding na 1895
In de loop van de 19e eeuw bleek het pand te krap. Het moest niet alleen de woning van de gouverneur, maar ook de bureaus van alle provinciale diensten herbergen. In 1895 ging de schop in de grond voor de bouw van de oostelijke tuinvleugel. Ook de voormalige kapel van de jezuïeten – die vanaf 1818 dienst deed als vergaderzaal van de provinciale staten – werd ingrijpend verbouwd. 

Achterzijde van het Gouvernementspaleis met de tuin
Gemeenteraadzaal
Na de Tweede Wereldoorlog werd het ruimtegebrek nijpend; het ambtelijk apparaat van de provincie groeide fors. Na de ingebruikname van het nieuwe provinciehuis in 1971 kwam een deel van het oude Gouvernement leeg te staan. Een ander deel bleef de ambtswoning van de Commissaris der Koningin. De Statenzaal werd raadszaal voor de Bossche gemeenteraad. 
 
Museum
In de jaren tachtig opperde de toenmalige Commissaris der Koningin J. van der Harten om het pand een museale functie te geven. In 1985 sloeg de Rotterdamse architect Wim Quist aan het tekenen. Deze voormalige Rijksbouwmeester had zijn genialiteit al bewezen met zijn ontwerpen voor het Kröller-Müller Museum (Otterlo), het Museon (Den Haag) en het Maritiem Museum (Rotterdam). Voor het Noordbrabants Museum ontwierp Quist twee heldere nieuwbouwvleugels, waarin de historische afdeling, expositieruimtes en depots werden ondergebracht.

Naar boven
 

Interactieve Tijdlijn